Caught in the middle

Ooit was humanitaire hulp iets dat respect afdwong. Meer en meer echter zijn hulpverleners het doelwit van politieke afwegingen, die zij moeten bekopen met hun leven. Ze zitten gevangen tussen westerlingen die hun werk zinloos en overbodig vinden, en strijdgroepen die in hen de handlanger van de vijand zien. Het zijn degenen die de hulp had nodig hebben, die daar onder lijden.

Reddingswerkers en soldaten doorzoeken de puinhopen van het VN-kantoor in Bagdad na de aanslag op 19 augustus 2003 (foto: UN Photo/X, #26788)Reddingswerkers en soldaten doorzoeken de puinhopen van het VN-kantoor in Bagdad (UN Photo/X)

Ooit zagen we hulpverlening als logisch uitvloeisel van onze humanitaire principes. We redden levens en boden mensen in nood elementaire basisvoorzieningen als voedsel, water, een dak boven het hoofd, medische zorg en bescherming. Zoals John Holmes, ondersecretaris-generaal voor humanitaire zaken van de VN, het verwoordde:

‘By definition, the people who are working trying to tackle humanitarian need are working in places which are often remote, usually difficult, and very often dangerous as well, because that’s where the conflicts are and that’s where the natural disasters happen.’

Die tijd van waardering lijkt echter achter ons te liggen. De discussies over de hulpverlening aan de slachtoffers van de watersnoodramp in Pakistan zijn wat dat betreft zeer illustratief: hulpverlening is zinloze verspilling van ons (belasting)geld, de directeurssalarissen zijn te hoog, hulpverleners selecteren op religieuze gronden, het geld komt terecht bij de corrupte elite, ja zelfs zou het geld worden doorgesluisd naar Al Qaeda en de Taliban, die er vervolgens wapens mee kopen. Over de twintig miljoen mensen die getroffen zijn door deze gigantische natuurramp hebben we het nauwelijks nog.

Onze westerse critici bevinden zich in goed gezelschap. Want ook organisaties als Al Qaeda en de Taliban hebben grote bezwaren tegen hulpverlening. Voor hen zijn hulpverleners de verlengde arm van een imperialistisch westen, agenten van de vijand. En wat we met vijanden moeten doen, dat weten we allemaal. Zij maken hulpverleners tot doelwit van hun strijd en zijn daar nog trots op bovendien.

Afgelopen donderdag was het World Humanitarian Day, aanleiding voor OCHA – het VN-bureau voor de coördinatie van humanitaire zaken – om aandacht te vragen voor de veiligheid van hulpverleners, waarbij ze zich onder meer baseerde op The Aid Worker Security Database.
De VN stelde World Humanitarian Day in 2008 in om stil te staan bij de vele hulpverleners die het leven laten in dienst van het helpen van mensen en om aandacht te vragen voor de precaire situatie van hulpverleners. De datum 19 augustus is niet toevallig gekozen. Op 19 augustus 2003 werd het VN-kantoor in Bagdad gebombardeerd. Daarbij kwamen 22 mensen bij om het leven, onder wie de Speciale VN-gezant Sergio Vieira de Mello, en minstens 150 mensen raakten gewond. Het was niet het eerste en helaas ook niet het enige incident.

Figuur 1: Hulpverleners die slachtoffer werden van veiligheidsincidenten
Hulpverleners die slachtoffer werden van veiligheidsincidenten (bron: Ocha)Bron: OCHA, factsheet ‘Security trends’ ter gelegenheid van World Humanitarian Day, 19 augustus 2010;
cijfers 2009 zijn voorlopig

Figuur 1 laat zien dat er sprake is van toenemend geweld tegen hulpverleners, ook als rekening wordt gehouden met het feit dat er tegenwoordig veel meer hulpverleners aan het werk zijn in conflictgebieden dan tien jaar geleden.
In het afgelopen jaar werden 278 hulpverleners het slachtoffer van gewelddadige incidenten, waaronder 92 ontvoeringen. Meer dan honderd hulpverleners lieten bij deze incidenten het leven. Tien jaar eerder betrof het ‘slechts’ 65 hulpverleners die betrokken waren bij 34 incidenten waarbij 30 mensen omkwamen. Voor 2010 staat de teller tot nu toe op 40 dode hulpverleners. In verreweg de meeste gevallen zijn de slachtoffers lokale medewerkers.

Figuur 2: Veiligheidsincidenten onder hulpverleners 1999 – 2009
Veiligheidsincidenten met hulpverleners 1999 - 2009 (bron: Ocha)Bron: OCHA factsheet ‘Security trends’; cijfers 2009 zijn voorlopig

Vorig jaar april publiceerde de Humanitarian Policy Group een alarmerend rapport. Zestig procent van alle aanvallen op hulpverleners in de periode 2006-2008 vond plaats in Darfur, Afghanistan en Somalië. Driekwart van de aanvallen vond plaats in slechts zeven landen met gewapende conflicten.

Steeds vaker handelen de aanvallers vanuit politieke motieven. Zij associëren hulporganisaties met de vijand en zien hen als collaborateurs van regeringen, rebellengroeperingen of vreemde mogendheden die in hun gebied actief zijn. In andere gevallen worden de hulporganisaties zelf het doelwit vanwege hun uitspraken en handelingen of wordt met het aanvallen van de hulpverleners voorkomen dat hulp de bevolking bereikt.

Hulpverleners zijn dan ook erg gevoelig voor de associatie met militairen. Dat zagen we in Nederland bijvoorbeeld in de discussie over de wederopbouw van Afghanistan. Maar zelfs als organisaties er alles aan doen om hun onafhankelijkheid te benadrukken, worden zij het doelwit. HPG stelt dan ook dat organisaties niet alleen worden aangevallen vanwege hun samenwerking met westerse politieke spelers. Hulporganisaties worden in toenemende mate in hun totaliteit gezien als onderdeel van de Westerse agenda.

Een paar jaar geleden maakten Afghanen wel degelijk onderscheid tussen organisaties die wel of niet samenwerken met de Provinciale Reconstructie Teams van de Coalitie. Nu heeft het er alle schijn van dat elke hulporganisatie – behalve het Rode Kruis – die een basis heeft in het Westen, als partijdig wordt gezien. Het bieden van hulp wordt daardoor een rechtvaardiging om aan te vallen. Want hulp belemmert gewapende groepen om zelf de controle te krijgen over een gebied of om het centrale gezag te ondermijnen. En soms werken regeringen daar passief of zelfs actief aan mee als ook zij de hulpverleners zien als een bedreiging voor hun gezag.

We kunnen dus vaststellen dat aanvallen op hulpverleners steeds vaker plaatsvinden vanwege politieke motieven. Zo werd in 2007 ruim 60 procent van de incidenten in Afghanistan toegeschreven aan criminelen en bijna 40 procent aan politieke oppositiegroeperingen. In 2008 sloeg dat beeld om: 65 procent van de incidenten waren het werk van gewapende strijdgroepen.

De bomaanslag op het VN-kantoor in Bagdad laat zien hoeveel politieke belangen er op het spel staan. Drie verschillende gewapende groepen hebben die aanslag opgeëist. De weduwe van Vieira de Mello zei daarover in een interview met Al Jazeera:

‘I still do not have answers about who killed my husband. All I know is that the coalition was responsible for protecting the UN building.’

Ook Omar Bakhet, voormalig hoofd van het VN-kantoor in Brussel en nauw bevriend met Vieira de Mello, worstelt nog steeds met die vraag:

‘The building could have been bombed by armed groups who saw the UN as a soft arm to the occupation. But it could be the coalition or the government who did it because the UN was starting to oppose the illegality of the war on Iraq.’

Ook Bakhet ziet in het feit dat de aanslag kon plaatsvinden en de concurrerende scenario’s daarvoor een duidelijk signaal dat hulpverlening politiek wordt en hulpverleners als partijdig worden gezien. Niet langer is hulpverlening een na te streven einddoel, maar verwordt het tot hulpmiddel voor spelers in het politieke veld.

Het is een beeld dat we niet alleen in Afghanistan en Irak zien. Ook Al Shabab beschuldigt VN-organisaties ervan een vijand van Somalië te zijn, reden om in juli 2009 drie VN-kantoren in Mogadishu aan te vallen. Nadien gaf al Shabab een persverklaring uit, waarin werd gesteld: ‘Following thorough research’ these agencies ‘will be completely closed down and considered enemies’.
Eerder werden de Amerikaanse organisaties Care en IMC beschuldigd van ‘spying for and aiding the intelligence agencies of the enemies of Islam’. Care is in grote delen van Somalië niet langer actief. De directeur van Care meldde dat niet alle groepen Care accepteren. Tachtig procent van de veiligheidsmaatregelen gaat over die vraag. Om veilig te kunnen werken is een beeld van onafhankelijkheid en onpartijdigheid noodzakelijk.

Het is een vraag die hulpverleningsorganisaties zich steeds vaker moeten stellen. Niet alleen in islamitische landen, want ook op Haïti waren hulpverleners hun leven niet zeker. En ook islamitische hulporganisaties als het in Groot-Brittannië gevestigde Muslim Aid kampt met een toenemend aantal incidenten.

Om als hulpverleningsorganisatie je werk te kunnen doen, wordt netwerken en in gesprek blijven met alle partijen in een conflict daarom steeds belangrijker. Het bijstellen van de beeldvorming vraagt om dialoog. Wellicht dat dat ook verklaart waarom het Rode Kruis minder met geweld te kampen heeft. De woordvoerder van het Rode Kruis formuleerde dat veel mooier:

‘We are still foreigners and strangers coming into their country. We need to explain why we are here’.

De keerzijde van die dialoog is dat we vervolgens hier in het Westen diezelfde hulpverleners verwijten dat ze met de vijand in gesprek zijn en weigeren hun werk nog langer te financieren.
Hulpverleners liggen dus van twee kanten onder vuur. En de slachtoffers, die hun hulp juist hard nodig hebben, worden daarvan ongevraagd de dupe.

Dit bericht werd geplaatst in Ontwikkelingshulp, Oorlog & geweld, Politiek en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op Caught in the middle

  1. martin zegt:

    == Ooit zagen we hulpverlening als logisch uitvloeisel van onze humanitaire principes. ==

    Wie zijn ‘we’? Het lijkt me niet waar dat ‘we’ dat altijd vonden. Hulp
    kan helemaal verkeerd worden ingezet. Ook noodhulp kan verkeerd
    gebruikt worden. Niet altijd zijn de ontvangers erbij gebaat. Niet altijd
    is het volkomen onverklaarbaar dat hulpverleners slachtoffer worden.
    Het lijkt me allemaal wat kort door de bocht, omdat je een tegenwicht
    wil schrijven tegen het dominante vertoog.

    Met je centrale conclusie dat hulpverleners onafhankelijk moeten zijn
    en die positie ook moeten duidelijk maken ben ik het eens. Maar er zijn
    belangrijke hulporganisaties die zeggen dat die onafhankelijkheid vaak
    onmogelijk is. Toch gaan ze door met hulp geven omdat dit hun business is.

  2. nicoa zegt:

    Een weinig hoopgevend beeld en inderdaad zijn de mensen die het zo moeilijk hebben extra het slachtoffer.

    @Martin: Er staat niet dat we dat ‘altijd’ vonden, maar ‘ooit’. En met ‘we’ wordt bedoeld dat dat toen de gangbare mening was, ook al deelde jij die misschien niet.

  3. P.H.M. van de Kletersteeg zegt:

    De enige reden waarvoor de nep idealisten werken is 10.000$ per maand plus kosten.
    Ontwikkelingshulp heeft niks veranderd sinds 1945, alleen het inkomen en de aandelen paketten van de ontwikkelingswerkers.

    somige noodhulp daargelaten is ontwikkelingshulp de eest uitgebreide fraude en oplichting die er bestaat.
    Als er daarbij een paar slachtoffers vallen–nou en?

  4. martin zegt:

    Nicoa het gebruik van het woord ooit is hier hetzelfde als
    ik het woord altijd gebruik. Ooit vonden mensen dat
    hulpverlening symptoom bestrijding was in bijvoorbeeld
    CPN, PSP en gedeeltelijk PvdA kringen. (Je kan je ook afvragen
    welke gedachte erachter zat bij liberalen en conservatieven
    binnen VVD en CDA om het compromis dat nu onder druk staat
    te accepteren.

    De afgelopen decennia is die kritiek vrijwel verstomd, al
    hoor je hem nog steeds, omdat solidariteit onder druk is
    komen te staan en ‘we’ het beter vinden dan maar te redden
    wat er nog is.

    Mij lijkt dat die defensieve houding een zinnige discussie
    over hulp en wezenlijke vooruitgang in de weg staat. Sterker
    nog het kan zich tegen je keren als je dat doet. Je slaat met je
    reactie een gesprek daarover dood.

  5. martin 22-08-2010 16:05 | Je moet denk ik wel onderscheid maken tussen acute noodhulp en structurele hulp. Ik zie nog niet hoe mensen die geen eten en drinken hebben, geen onderdak, het risico op allerlei overdraagbare ziektes lopen, niet geholpen zouden zijn bij hulp. Ik kan me geen tijden herinneren dat de gangbare mening was dat we maar beter niks konden doen in zo’n geval. Maar die tijd lijkt toch nu wel aangebroken te zijn. Blij word ik daar niet van.
    Over structurele hulp praten is wat mij betreft van een heel andere orde. Wat je daarover in je tweede posting zegt, snijdt ook voor mij hout. Hulp is onvoldoende gericht op hernieuwde zelfstandigheid, op laten we het ‘empowerment’ noemen, maar dat klinkt dan veel softer dan ik het bedoel.

    nicoa 22-08-2010 17:41 | Precies, daar ging het me om.

    P.H.M. van de Kletersteeg 22-08-2010 18:01 | Ik deel je cynisme niet en denk dat mensen wel degelijk actief zijn de hulpverlening omdat ze iets voor hun medemens willen betekenen. De meeste mensen die bij hulporganisaties werken zouden in hun handen knijpen bij jouw salarisvoorstel. Ik denk echter niet dat dat hun drijfveer is. Jammer van die laatste zin, maar hij verwoordt wel weer uitstekend het gedachtegoed waar ik het over wilde hebben.

    martin 22-08-2010 18:08 | Hulpverlening als symptoombestrijding, is de vraag of structurele hulp op termijn inderdaad wat oplevert. Of je mensen niet afhankelijk houdt, in plaats van je energie aan te wenden op zo’n manier dat ze weer geheel selfsupporting worden. Het is de vraag naar wat onze bijdrage is aan het instandhouden van al die crises. Wat dan weer iets heel anders is dan simpelweg vaststellen dat een budget gehalveerd wordt, want ik heb zo’n vermoeden dat precies die benodigde zelfreflectie daar ontbreekt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s