Hoe mijn leven ingrijpend veranderde

Zelfportret (foto: Johanna Nouri)Het begon op eerste paasdag. Mijn baasje lag al de hele dag op bed. Ik ook trouwens, op het voeteneind. Rond een uur of twaalf gooide iemand een kaartje in de bus. Maar mijn baasje bleef maar slapen. Om drie uur kwam er iemand de krant langsbrengen, die het baasje leest samen met de overburen. Een paar minuten later kwam ze terug met nog iemand. En toen begon alle ellende.

Er stopte een dokter van de huisartsenpost, die de politie belde. Het duurde lang voor de politie kwam. Zo lang, dat de dokter besloot om met zijn zware dokterstas een ruit in te slaan, langer kon hij niet wachten. De situatie vroeg om snel handelen.Ik vluchtte gelijk naar boven. Ik moet niks hebben van vreemd volk in huis. Ik ga dan lekker rustig boven achter de gipsplaten zitten, of als het nodig is zelfs nog dieper achter de aftimmering. Zodat niemand me kan pakken en ik veilig ben.

Ik zat dus boven, maar kon natuurlijk wel alles volgen. Hoe de dokter mijn baasje onderzocht. Hoe hij de ambulance belde. Hoe de ambulancebroeders binnenkwamen met de brancard en mijn baasje daarop legden. Het gehannes met de deuren, die te smal bleken om de brancard er liggend doorheen te laten gaan. Hoe de deuren dus uit hun sponningen gelicht werden.

Daarna was alles stil. Het huis was leeg. Voorzichtig ging ik weer terug naar beneden. Er was helemaal niemand meer, ook het baasje niet. Ik begreep er helemaal niks van, maar langzaam kwam ik weer bij mijn positieven.

’s Avonds was het weer mis. Om een uur of elf kwamen twee kinderen van het baasje ineens naar binnen. Dat was raar, die kwamen bijna nooit samen, nooit ’s avonds ook. En wat nog raarder was: ze gingen niet meer weg, ze bleven in het huis slapen. En dat terwijl mijn baasje nog steeds niet thuis was. Wat was er toch aan de hand? Gelukkig gaven ze me wel eten en drinken, ik had toch een honger!

De volgende morgen gingen ze weer weg gelukkig. Maar ik had te vroeg gejuicht. Aan het einde van de middag kwamen ze weer terug. De ene ging buiten in de zon op een bankje een boek lezen. De andere ging aan de andere kant van het huis in de tuin werken. Ik vond het maar vreemd. Wat deden die indringers hier? Waarom kwamen ze weer terug? Waar hadden ze mijn baasje gelaten?

Het gekke was ook dat er met enige regelmaat mensen aanbelden. Die werden dan binnen gelaten, er werd koffie gezet. Er werden lange gesprekken gevoerd. De gesprekken gingen vooral over het baasje. Soms moesten de kinderen van mijn baasje erg huilen. Als de mensen weer weg gingen, wensten ze hen sterkte. Wat was er toch aan de hand? En het gekke was: ze bleven weer slapen.

De volgende morgen was het nog donker toen de telefoon ging. Ik schrok ervan. De dochter van het baasje was duidelijk ook geschrokken, ze maakte haar broer wakker. Belachelijk, wie staat er nou om vijf uur op? Ze zetten koffie, kleden zich aan en vertrokken met grote haast. Maar nog steeds was het baasje in geen velden of wegen te bekennen. Er zou toch zeker niks gebeurd zijn?

Aan het einde van de middag, dinsdag was het inmiddels, waren ze er weer. Maar deze keer brachten ze nog meer mensen mee. Ook de andere kinderen van het baasje waren er nu bij. En er kwam een man langs in een zwart pak, die van alles met ze ging bespreken. Ik was niet blij. Ik hou van rust, en rust was er nu al drie dagen niet. Het werd eerder steeds gekker en lawaaiïger.
En ook woensdag ging het zo door. Met zijn drieën waren ze nu, druk met van alles en nog wat. Veel schrijven, veel bellen, veel overleggen. Huilen ook. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Ik raakte van slag. Het waren dan wel vreemden tot op zekere hoogte, maar tegelijkertijd was ik blij dat ik niet alleen was, dat ik eten kreeg, aandacht.

Woensdagavond werd het stil. Iedereen was weg. Ik was helemaal alleen in het huis. Tot vrijdagmiddag. Toen kwamen er ineens weer twee kinderen langs. Nog iets later hoorde ik weer voetstappen. Hé, die kende ik inmiddels. Ik had ze in de afgelopen dagen steeds gehoord. Geheel tegen mijn gewoonte in bleef ik niet op de zolder zitten, maar rende ik naar beneden. Ik merkte dat ik blij was dat ik ze weer zag. Eindelijk weer iemand die ook oog voor mij had.

De dochter had een kooi meegenomen, die ze boven neerzette, op de plek waar ik me altijd verborg als ik bang werd. Gek, ze zette eten in de kooi, de deur stond open, ze legde er een deken overheen. Toen ze weer naar beneden was gegaan, ging ik nieuwsgierig kijken wat dit voor kooi was. Voorzichtig raakte mijn neus hem aan. Pats, dicht klapte de deur. Maar gelukkig zat ik er niet in, had ik ze toch mooi gefopt. Mij kregen ze niet te pakken.

Ook deze nacht bleven er weer mensen slapen, niet dezelfde als begin van de week trouwens. De volgende morgen vertrokken ze. Ik bleef alleen achter. Ik begon me te vervelen. Gelukkig vond ik ergens nog een bolletje wol waar ik me een beetje mee kon vermaken. Ik ging op de vensterbank zitten. Jammer dat die planten er toen af vielen. Daar zouden ze vast niet blij mee zijn. Er was iets heel erg mis, zoveel was wel duidelijk. Al die vreemden die maar in en uit liepen. Het baasje dat nog steeds niet thuis was gekomen. Ik begon onraad te ruiken. En terecht, zo bleek al snel.

Maandag kwam de dochter van het baasje weer langs, met een andere kooi. De kooi die boven stond bracht ze weg. In eerste instantie was ik blij haar te zien. Ze gaf me eten en drinken, ze haalde me aan. Maar ik was gewaarschuwd. Op een bepaald moment pakte ze me op, dat doen ze normaal nooit want ze weten dat ik daar niet zo van hou. Ik had het pas echt door toen ze met me naar de kooi liep. Ze wilde me erin stoppen. Maar dat laat ik natuurlijk niet toe. Gevóchten heb ik, met alle kracht die ik in me had. Ze probeerde het nog een keer, maar weer won ik. Ze was wel vasthoudend. De derde keer vond ik het wel welletjes. Ik ging lekker onder de bank zitten, ’s kijken of ze me dan nog gaat pakken.

Zo, gelukt. Ze liet me met rust. Ik ben weer alleen in huis. Maar het is ook wel erg stil zo. Helemaal niet leuk meer. Inmiddels is het vrijdag. Sinds maandag ben ik al alleen thuis. Mijn eten en drinken zijn op. Er komt niemand langs, niemand die belt. Dan hoor ik de sleutel in het slot. De dochter van het baasje is er weer. Ik ben blij, ze begint vertrouwd te worden.
Dan gaat de deurbel. Er komen twee mensen binnen in een eng pak, ze hebben handschoenen aan. Ze hebben ook een grote stok bij zich, met aan het einde een grote lus. Wat nu weer? De enge mensen proberen mij te vangen. Maar dat laat ik natuurlijk niet gebeuren. Ik weet een nog betere plek. Onder het dressoir, daar kunnen ze dus echt niet bij. Maar nu snap ik het van die stok. Ze gebruiken hem om mij onder de kast uit te jagen. De man pakt me beet. Ik vecht, ik vecht, ik haal flink uit, ik zie bloed. Maar uiteindelijk verlies ik het. Tegen zo’n overmacht kan ik niet op. Ik beland in een kooi.

En nog erger: die kooi wordt in een auto gezet. Dat betekent vast weinig goeds, ik hoef alleen in de auto als ik naar de dierenarts moet. Maar dat gebeurt niet. Anderhalf uur zit ik in de auto, in die kooi. Langzaam word ik wagenziek. Dan stopt de auto. Ik word naar binnen gebracht, waar een nog grotere kooi staat. Mijn vertrouwde deken ligt erin. Ik ruik eten en drinken. Dan word ik met kooi en al in de grote kooi gezet.

Voorzichtig kom ik naar buiten: ik zit opgesloten! Ik zie een vreemd huis, een vreemde tuin, de dochter van het baasje die naar me kijkt. En help, ik zie ook twee andere katten, die me vijandig aanstaren. Hoewel, het lijkt wel alsof ze net zo bang zijn als ik. We blazen naar elkaar. En zij vluchten met de staart tussen de benen naar boven. Wat een watjes.

Inmiddels is het zondag. Ik zit nu al drie dagen in dat nieuwe huis, in die vreemde kooi. Ik krijg veel eten en drinken. Gisteren kreeg ik zelfs verse kabeljauw. Die twee katten, dat is nog wel even wennen. Af en toe gaan ze me van afstand zitten aan te staren. Nou, dan staar ik gewoon terug. Net zo lang tot ze afdruipen.

Ik merk wel dat ik steeds rustiger word. Ik schrik niet meer van elk geluid. De dochter van het baasje zorgt goed voor me. Ze geeft me aandacht en ik laat het toe. Ik laat me zelfs aanhalen, begin kopjes te geven. Vanmorgen ging ik zo maar spontaan zitten spinnen. Ik denk dat het wel goed komt.

Dit bericht werd geplaatst in Persoonlijk en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Hoe mijn leven ingrijpend veranderde

  1. Linda zegt:

    Het komt goed!!
    (beeldend geschreven)

  2. ijskastmoeder zegt:

    Mooi om de ontreddering via poes’ haar ogen te beleven. Misschien gaat ze nog wel meer meemaken de komende tijd?

  3. Pingback: Ik voel me thuis | Levantijnse berichten

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s