Zestig jaar na dato

Het is kwart voor vijf, er staat een man voor de deur. Hij eist nu direct geholpen te worden. Hij is doof, de communicatie verloopt via pen en papier. Hij vermeldt voor de duidelijkheid nog dat hij al jaren geholpen wil worden, dat zijn problemen hem te zwaar belasten, dat hij acuut is.

Ik neem hem mee naar een spreekkamer en probeer hem te kalmeren. Wonderwel lukt dat. Ik luister naar hem en reageer op papier. Een onwennige manier van communiceren als woorden, intonatie en gevoel in je stem geen rol meer mogen spelen.

Hij wordt inderdaad rustig, maar blijft daarnaast herhalen dat hij nu geholpen wil worden. Rustig leg ik hem uit dat we dat doen, mijn collega voert al gesprekken met hem. Alleen die collega is er nu niet.

Zijn ouders hebben de oorlog meegemaakt. Hij torst de gevolgen van hun traumatisering mee op zijn schouders. Stevige schouders, die wel wat kunnen dragen, zegt hij. De last is te zwaar, maar niemand begrijpt hem, niemand helpt hem. Iedereen belooft binnenkort iets te gaan doen. Maar binnenkort is niet op tijd.

Het maakt me machteloos. Gevangen tussen twee blikvelden.
Het ene: begrip voor mijn gesprekspartner, de wens iets voor hem te kunnen betekenen, het besef dat niets behalve acuut helpen gaat werken.
Het andere: dat ik nu niet bij machte ben die hulp te bieden, dat als ik het al zou kunnen het niet direct resultaat zal hebben, dat geen hulp beschikbaar is die tegemoet komt aan zijn dringende behoefte.

Uiteindelijk geeft hij het op. Hij trekt zijn jas aan, verlaat het gebouw. Ik ben blij, dat hij zonder problemen weg gaat, dat hij rustig en zonder zijn gezicht en respect te verliezen weg gaat.
Ik hoop dat hij het niet opgeeft, dat hij morgen terug komt, of overmorgen, of volgende week.
Ik ben verdrietig. Verdrietig om de pijn en de last die hij meetorst. Ik voel compassie met de man die zijn hele leven zoekt naar de hulp die zijn leven gaat veranderen.
En het knaagt. Waar is hij nu, waar gaat hij naar toe, wat denkt hij, wat voelt hij, wat is zijn volgende stap?

Terwijl ik zelf het gebouw verlaat, voel ik de spanning in mijn lijf. Ik schrik van een onverwacht geluid. Ik kijk om me heen terwijl ik door de gang loop. Ik dacht dat ik rustig was, maar ik merk dat elke vezel in mijn lijf zich gespannen had. Niet uit angst.

Mijn hart vertelde mij dat alles goed was, dat mezelf zijn, er zijn, het enige was dat ik hoefde te doen.
Mijn hoofd vertelde mij dat dat weliswaar waar was, maar dat ik desondanks wel voor mezelf moest zorgen, moest regelen dat er een collega in de buurt was, dat de beveiliging standby was.
Maar mijn lijf: mijn lijf bereidde zich voor, klaar om te vechten, klaar om te vluchten.
Geen van beide was nodig.

Ik kom thuis. Mijn kat loopt naar de stoel waarop ik zojuist mijn tas heb neergezet. Hij staart naar de stoel. Hij blaast. Hij blaast nog eens. Haren recht overeind, staart tussen de poten. Hij vecht tegen het onzichtbare.

Dit bericht werd geplaatst in Oorlog & geweld en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s